Categorie archief: basisonderwijs

Belemmeringen voor innovatie in het basisonderwijs

Welke factoren belemmeren of bevorderen innovatie in het basisonderwijs? ‘Wet- en regelgeving’, wordt vaak verondersteld. Uit praktijkervaringen en onderzoek bij tien innovatieve scholen en twee besturen blijken andere factoren van invloed te zijn. In het rapport ‘Belemmeringen voor innovatie in het basisonderwijs’, gemaakt voor het ministerie van OCW vindt u het onderzoek en de uitleg over de zes bepalende factoren. Het rapport bevat tevens adviezen aan OCW om innovaties te bevorderen dan wel minder te hinderen. Het rapport is te lezen via deze link.

‘Laten we afscheid nemen van de docent als coach’.

Het vermeende verschil tussen leraar en coach blijft de gemoederen bezighouden en het wordt er niet duidelijker op. Recent verscheen dit filmpje van de door mij zeer gerespecteerde Joseph Kessels over ‘de leraar van de 21e eeuw’ waarin de verschillen tussen de leraar en coach worden opgesomd en uitgelegd. Ik heb ze op een rijtje gezet: 
Dit lijstje zal bij leraren ergernis oproepen. Er staan kwaliteiten bij de coach die de leerkracht ook bezit zoals ‘kijken naar leerlingen als individuen’ en het ‘maximale uit mijn leerling proberen te halen’. Mijn bezwaar betreft het tegenover elkaar plaatsen van de leerstrategieën aanbiedend en ontdekkend. Juist van Joseph Kessels leerde ik 20 jaar geleden dat ‘hetgeen geleerd gaat worden’ bepaalt wat de beste leerstrategie is. Kennis over feiten/procedures en vaardigheden die reproductief zijn, leer je meestal het beste via aanbiedende methoden. Basis en voortgezet onderwijs behandelen juist veel van dit type onderwerpen. Ontdekkend leren zal daarom vaak niet de voorkeur hebben.
Het kan zijn dat men vindt dat kinderen tijdens basis en voortgezet onderwijs meer productieve vaardigheden moeten leren, waar ontdekkende leerstrategieën soms goed kunnen werken. Maar dat is een andere kwestie. Het vermengen van docentrollen, leeronderwerpen en leerstrategieën is mijns inziens niet behulpzaam.

In 2007 schreef mijn gewaardeerde collega wijlen Dick de Bie dit artikel: ‘Afscheid van de coach’. Hierin zegt hij: ‘Er zijn geen verboden op uitleg of op voordoen of op terecht wijzen, alleen verboden op het doen of nalaten wat het leerproces de kop indrukt. Laten we daarom afscheid nemen van de docent als coach en voortaan spreker van de docent als leermeester: de docent die weet wat er nodig is om studenten te laten leren’. Laat de leerkracht dus de leerkracht.

 

 

Wettelijke versus aanvullende taak po | SEO Rapport

Op 28 juli 2017 verscheen het rapport ‘Een confrontatie tussen de eisen, kosten en bekostiging in het primair onderwijs’. Het rapport is uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek in opdracht van de PO-Raad. Het rapport vindt u hier.
De PO-Raad wilde graag weten of de bekostiging vanuit OCW toereikend is voor scholen om hun opdracht uit te voeren. De conclusie van SEO is: ‘Ja, de bekostiging is toereikend om te voldoen aan de wettelijke eisen maar niet om te voldoen aan de aanvullende eisen vanuit OCW en samenleving’.
SEO maakt een cruciale fout wat het hele rapport onbruikbaar maakt. Wat SEO namelijk als ‘aanvullende’ eisen beschouwt, zijn de minimale, wettelijke eisen.
SEO meet het voldoen aan de wettelijke eisen af naar het verkrijgen van het basisarrangement van de Onderwijsinspectie (OI). Dit is onjuist. De OI onderzoekt namelijk niet of scholen voldoen aan de wettelijke eisen. De OI onderzoekt op een selectie van die eisen, met name taal en rekenen. De OI onderzoekt bijvoorbeeld niet of alle leerlingen voldoende ontwikkelingsmogelijkheden krijgen in alle kerndoelen, op een passende manier in een ononderbroken ontwikkelingslijn. De OI onderzoekt eveneens niet of scholen voldoen aan de geratificeerde internationale verdragen zoals het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de Verklaring van Salamanca.
Wat SEO aanvullende eisen noemt, zijn aantoonbaar wettelijke eisen. Zo staan de 21e eeuws vaardigheden (blz. 10) al 30 jaar in de wettelijke kerndoelen evenals integratie en gezondheid. Burgerschapsonderwijs staat eveneens al jaren in diezelfde wet. Gepersonaliseerd onderwijs is ook een wettelijke opdracht, daar verwijst het ‘ononderbroken ontwikkelproces’ naar.
Als scholen aan de wettelijke eisen zouden voldoen, dan zou bovendien de lijst problemen,
gelinkt aan onderwijs, een stuk beperkter zijn.
Dit rapport brengt het primair onderwijs en vooral haar leerlingen schade toe.
Dat scholen zelf zeggen dat ze ‘gemakkelijk kunnen voldoen aan de wettelijke eisen’ vind ik het meest verontrustend.

Met moderne teamzeggenschap regie over werkdruk

Herneem als schoolteam de regie over werkdruk door ‘groot’ te denken. Werk met een jaar en klokuren in plaats van weken/dagen en lesuren. Met heldere getallen kun je duidelijke keuzes maken.

  • Een voltijds dienstverband in zowel po als vo is 1659 uur per jaar.
  • In het po geeft een leerkracht hiervan maximaal 930 uur les, 729 uur is voor ander werk.
    De verhouding lestijd-geen lestijd is dus 56%-44%.
  • In het vo geeft een leerkracht hiervan maximaal 750 uur les, 909 is voor ander werk.
    De verhouding lestijd-geen lestijd is dus 45%-55%.
    [De motie Van Meenen (die is aangenomen maar nog niet is geëffectueerd) verlaagt het aantal lesuren naar 20 per week. 20 lesuren = 16,66 klokuur. In het vo zijn er gemiddeld 37 lesweken. 37 x 16,66 = 616 uur. Van de 1659 uur wordt dan 616 uur lesgeven en 1043 uur niet-lesgeven.
    De verhouding lestijd-geen lestijd wordt dan 37%-63%.]

Suggestie: tel de niet-lestijd van het hele team op en maak daarvan een jaarplan met bestedingen. Dus niet versnipperd per persoon, per week, per dag, per les en voorkom het door elkaar gebruiken van les- en klokuren. Laat bij het maken van het plan ook de vaste normen even los. Het is bijvoorbeeld niet logisch dat een leerkracht Frans die met een uitgewerkte lesmethode werkt evenveel lesvoorbereidingstijd heeft als een leerkracht Economie die al zijn lessen zelf ontwikkelt.
Stel bij het invullen van het jaarplan steeds de vraag ‘draagt dit bij aan de ontwikkeling van onze leerlingen en wat gebeurt er als we het wel/niet doen?’ Hoeveel uren per jaar besteden we aan feesten, toetsen, lesvoorbereidingen, schoonmaak, professionalisering, excursies enz. en is dat de beste besteding ten behoeve van onze leerlingen?
Als er meer werk is dan tijd, maak ook dan keuzes op jaarbasis. Onderbouw als team deze keuzes en communiceer dit aan leerlingen, ouders, bestuur en buitenwereld.
‘Wij zijn een basisschool met 10 fte; we hebben ruim 7.000 uur niet-lestijd en komend jaar gaan we deze zó besteden’. [Het ligt overigens voor de hand om deze bestedingen te linken aan het schoolplan.]

Denk groot en maak grote keuzes: dit doen we wel en dit doen we niet. Met moderne teamzeggenschap begin je opgeruimd aan het nieuwe schooljaar en eindig je fris.

Risico’s en aandachtspunten IKC

Aan IKC’s kleven ook nadelen en risico’s. Hier vindt u een aantal. Er wordt veel geïnvesteerd in het vormen van ikc’s: samenwerkingsverbanden tussen school, opvang, peuterspeelzalen en andere organisaties die zich bezighouden met de ontwikkeling van kinderen. Samenwerking lijkt voor de hand liggend maar welke problemen worden eigenlijk opgelost? Zijn de op te lossen problemen ook belangrijk? Zijn er betere en/of goedkopere alternatieven? En, zoals gezegd, kleven er ook nadelen aan de IKC-panacee? Vragen die gesteld moeten worden bij grote investeringen in geld, tijd en middelen. Want de middelen zijn schaars en de noden van kinderen en samenleving groot.

45% blijft zitten en andere cijfers

Een overzicht van allerlei cijfers. Rijp en groen door elkaar en allen hebben te maken met leren en onderwijs. Bijvoorbeeld: meer dan 50% van de kinderen doorloopt de basis- en middelbare school niet binnen de nominale opleidingsduur. Het aantal zittenblijvers in funderend onderwijs is 45%, het aantal versnellers in po is 8% (vo kent geen versnellers), samen is dat 53%. Slechts 47% van alle kinderen rondt het traject po-vo dus af in de nominale opleidingsduur.
Dat is opmerkelijk. We hebben een standaard ontwikkeld waar één van de twee kinderen niet aan kan voldoen. Bij de lerarenopleidingen past de standaard zelfs 2 van de 3 studenten niet.
Als je alle afstroom en opstroom zou meetellen en praktijkonderwijs eraf zou halen (daar kun je namelijk niet blijven zitten) dan is het percentage kinderen dat het funderend onderwijs (dat bij hem/haar past qua potentieel) binnen de nominale opleidingsduur afrondt nog veel kleiner.
Laat staan als je alle studiehulp buiten school erbij zou betrekken: toetstrainingen, huiswerkbegeleiding, bijles, lente- en zomerscholen en niet te vergeten al die ouders die vele uren per week hun kinderen helpen met huiswerk maken. Zonder deze hulp zou slechts een heel klein deel van de kinderen het funderend onderwijs soepel doorlopen. Stel je voor dat bij werknemers de partners wekelijks moeten bijspringen om het werk te doen!
Voor alle onderstaande cijfers zou je vergelijkbare redeneringen kunnen opbouwen.

  • De Cito-eindtoets basisonderwijs meet 10-12 kerndoelen op één wijze (schriftelijk, gefragmenteerd en meerkeuze). Het leerlingvolgsysteem idem. Basisonderwijs moet gaan over 52 kerndoelen. Kinderen worden dus afgerekend op hun prestaties in 20% van de kerndoelen.
  • De Cito-eindtoets bestaat uit 200 vragen. Een leerling die scoort op vmbo-t-niveau kan ruim 80 van de 200 vragen niet (juist) beantwoorden.
  • Segregatie en kansen: huidige stelsels van onderwijs en kinderopvang houden segregatie en kansen-ongelijkheid in stand (bron ‘Staat van het Onderwijs’ Onderwijsinspectie, 2014-2015)
    IKC’s versterken segregatie en kansen-ongelijkheid (bron CPB, 2017)
    Harmonisatie ko en psz leidt (nog) niet tot ‘samen opgroeien’.
  • Gebruik: 40% van de kinderen van laagopgeleiden maakt geen gebruik van voorschoolse voorzieningen versus 8% hoogopgeleiden (bron ‘Gelijk goed van start’, SER, 2016)
  • Zittenblijven en versnellen
    45% blijft zitten in funderend onderwijs, in Havo-4 blijft 18% zitten (bron CPB)
    16% blijft zitten op basisschool
    8% versnelt op basisschool
    27% vd 15-jarigen is blijven zitten
    47% vd Havo-leerlingen is blijven zitten
    (kosten: € 500 mln per jaar; bron ‘IBO Effectieve leerroutes in funderend onderwijs’, 2015)
  • Afstroom: 7% Havo-3 stroomt af naar Vmbo (bron CBS)
  • Zorgleerlingen: 20% is zorgleerling (volgens scholen, bron Onderwijsraad)
  • 36.000 kinderen maakt gebruik van s(b)o (bron Rijksoverheid, 2015)
  • 8% heeft dyslexie; 32 per 1000 ontvangen behandeling hiervoor
  • 125.000 kinderen 6-18 jaar gebruiken Ritalin/methylfenidaat (= 4,5%)
    (bron Gezondheidsraad)
  • 13% van kinderen in basisschoolleeftijd maakte in 2016 gebruik van jeugdhulp, dat zijn 192.000 kinderen (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • relatie jeugdhulp en funderend onderwijs? Percentages kinderen per leeftijdscategorie dat gebruik maakt van jeugdhulp: 3% < 4 jr, 13% 4-11 jr, 12% 12-17 jr, 1% > 17 jr. (maar jeugdhulp is in principe tot 18 jaar en kan eventueel worden voortgezet tot 23 jaar) (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • in 2016 liepen 515.000 jeugdhulptrajecten (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • in 2016 ontvingen 388.000 kinderen jeugdhulp; 159.000 meisjes en 219.000 jongens (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • 18% vd 9-jarige autochtone kinderen ontvangt Jeugdhulp (bron Landelijke Jeugdmonitor 2016)
  • Armoede: 226.000 < 18 jaar leeft op bijstandsniveau; in Rotterdam 1 op de 6 kinderen (met name eenoudergezinnen)
  • 18% van de 15-jarigen is laaggeletterd (bron ‘PISA’, 2015)
  • pesten: 76% is betrokken bij pesten, 65% wordt gepest (bron SAQI)
  • toetsbelasting: in brugklas wordt kind ongeveer 150x beoordeeld met een cijfer op een honderdpuntsschaal
  • < 50% Hbo-studenten haalt diploma binnen 5 jaar, dat is al met 25% studievertraging
  • 35% van de studenten van de lerarenopleidingen haalt binnen 5 jaar een diploma (bron Staat van het Onderwijs 2015/2016)
  • 37% mbo’ers van > 18 jaar heeft schuld (bron Nibud 2016)
  • relatie opleiding en beroep: slechts 47% van de mannen en 29% van de vrouwen met een afgeronde technische opleiding heeft een technisch beroep (bron CBS 2016)
  • 16% van de afgestudeerden mbo, hbo en wo heeft spijt van de opleidingskeuze (bron UWV/ROA 2012)
  • van de kinderen met een dubbel vo-advies haalt 10% het hoogste advies daadwerkelijk (bron Staat van het Onderwijs 2015/2016)
  • 33% vd > 15-jarigen heeft beperkte gezondheidsvaardigheden. Gevolgen: 7 jaar korter leven en 19 jaar mindere gezondheid (bron WHO en Loket gezond leven-Rijksoverheid)
  • 87% van de leerkrachten in basisonderwijs is vrouw (in 2015), daarvan werkt 78% in deeltijd (bron Socioaal Economische trends 2016)
  • 75% van de werknemers in po werkt in deeltijd en de gemiddelde deeltijdfactor is 0,6 (bron Stamos, 2015, afgeleid van BZK, 2015)
  • De Kindertelefoon heeft in 2016 bijna 243.000 gesprekken gevoerd met kinderen tussen 8 en 18 jaar; het meest ‘populaire’ onderwerp waarover is pesten, hierover gingen ruim 23.000 contacten (bron Kindertelefoon Jaarverslag 2016)
  • 72% van de havisten en 65% van de mbo’ers haalt Hbo-opleiding niet in 4 jaar (bron CBS)

Ons onderwijs veroorzaakt naast welvaart ook verlies, teleurstelling en leed. Als we het zichtbaar maken, kunnen we het verminderen.

Doorgaande lijn

Er zijn van die begrippen die vaak worden gebruikt zonder dat precies duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. In basisonderwijs en kinderopvang gaat het bijvoorbeeld om begrippen als: doorgaande lijn, integratie, achterstandskind, zorgleerling, toegankelijkheid, één voorziening, één team. Het wordt problematisch als mensen die met elkaar in gesprek zijn uitgaan van verschillende betekenissen en dit niet duidelijk is.
Van het begrip ‘doorgaande lijn’ zijn bijvoorbeeld minstens acht verschillende betekenissen. Dan is het niet moeilijk om je voor te stellen hoe onbevredigend een gesprek hierover kan verlopen.
Een doorgaande lijn, wat kan dit zijn? Lees hier de mogelijkheden.

Harmonisatie en samen opgroeien? – kinderopvang en peuterspeelzalen

Momenteel worden de voorschoolse voorzieningen geharmoniseerd. Dit proces moet zijn voltooid per 01-01-2018.
Er zijn grofweg twee soorten voorschoolse organisaties:

  1. Kinderdagverblijven (kdv) en
  2. Peuterspeelzalen (psz).

En er zijn drie soorten voorschools aanbod:

  1. halve en hele dagen ‘opvang’, voor één halve tot vijf hele dagen opvang per week;
  2. 2,5-uurs opvang, meestal tweemaal per week en
  3. voor- en vroegschoolse educatie (vve), opvang van hogere kwaliteit meestal voor viermaal 2,5 uur per week; dit kan zowel in kdv als psz worden aangeboden.

‘Opvang’ houdt kortweg in: oppas en ontwikkelingsmogelijkheden.
Vve is dus bedoeld voor kinderen met een (dreigende) achterstand in de Nederlandse taal. Deze kinderen worden doelgroepkinderen genoemd. Informatie over vve vindt u hier.

De harmonisatie die nu gaande is, houdt samengevat in:

  • Werkende ouders kunnen ook voor opvang in een psz kinderopvangtoeslag krijgen. Tot nu bestaat er alleen kinderopvangtoeslag voor opvang in een kdv.
  • De kwaliteitseisen voor kdv en psz worden gelijkgetrokken. De eisen aan psz’n zijn nu lager dan aan kdv’n. Als de eisen zijn gelijkgetrokken dan mogen psz’n onder andere niet meer werken met vrijwilligers en moet de binnen- en buitenruimte aan strengere eisen voldoen.

Kindcentra
Psz’n die aan de harmonisatie-eisen voldoen, worden ‘kindcentra’ genoemd. Dit is een naam die verwarrend is want er bestaan al jaren Integrale Kindcentra (IKC), die soms ook Kindcentra (KC) worden genoemd. (I)KC is al de nieuwe naam van de Brede School die al sinds de jaren 90 bestaat. Een brede school/(i)kc is een voorziening onder één dak waar kdv, psz, basisschool en buitenschoolse opvang zijn gehuisvest.

Samen opgroeien en gelijkere kansen
Om van psz’n kindcentra te maken, zijn veel mensen druk maar deze drukte draagt nauwelijks bij aan het oplossen van het grote probleem en dat is peutersegregatie. Peutersegregatie versterkt de ongelijke kansen van minder bedeelde kinderen.
Ondanks deze harmonisatie blijft het stelsel met twee voorzieningen – peuterspeelzaal en kinderdagverblijf – in stand. Juist het bestaan van deze twee verschillende voorzieningen belemmert het samen opgroeien van kinderen en samen opgroeien is voorwaarde voor gelijkere kansen.
Kinderen van werkende ouders gaan namelijk naar het kdv. Kinderen van niet werkende ouders naar de psz. Doelgroepkinderen (dus kinderen met een dreigende achterstand) gaan naar de psz waar verreweg de meeste vve wordt gegeven. De harmonisatie zal dat nauwelijks veranderen.
Peuterspeelzalen worden dan wel financieel aantrekkelijker voor werkende ouders maar kinderdagverblijven worden niet bereikbaar voor niet-werkende ouders. Daarvoor zouden kinderdagverblijven ‘kwart-dagen’ moeten gaan aanbieden – het tijdsblok van 2,5 uur van de peuterspeelzaal – en actief moeten gaan werven onder niet-werkende ouders. Dat zie ik nog niet gebeuren.

In deze kamerbrief van 10-02-2017 meer over de drukte rond de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

 

Dyslexie – aan wie ligt het nu weer?

Dyslexie – gaat het over leesblindheid, leestempo, woordbeeld, spelfouten? Heeft iets of iemand er ‘schuld aan’? In korte tijd roepen deskundigen ‘het komt door slecht onderwijs’ (zie bijvoorbeeld dit artikel uit het Algemeen Dagblad van 9 februari 2017) terwijl een ander de slechte methodes noemt, lees bijvoorbeeld dit artikel uit Trouw. Dyslexie is evenwel een onderwerp dat al decennia lang de gemoederen bezighoudt, net als andere ‘afwijkingen’ van het gangbare en gemiddelde.
Pieter Mostert schreef er een helder verhaal over, lees het hier. Een verhaal gebaseerd op praktijk en wetenschap.

Genoeg bouwstenen denk ik om een constructief gesprek te voeren over onderliggende vragen, zoals deze:

  • is de gangbare werkwijze – ieder kind krijgt dezelfde lessen tot ie uitvalt en dan begint eventueel het maatwerk – het beste? en
  • waar zit de pijn? In de ongelijke kansen, in het als afwijkend worden bestempeld, in het gesloten blijven van deuren voor jou en dat de leerkracht dat bepaalt, in het onrecht dat het jou meer moeite kost dan voor een ander om iets te leren? In andere kwesties?

Immers, een gesprek over schuld leidt niet tot betere ontwikkelingsmogelijkheden van mensen.

 

Meer ruimte voor nieuwe scholen (art. 23 Grondwet)

In 2012 heeft de Onderwijsraad advies uitgebracht over de werking van art. 23 Grondwet met daarbij suggesties voor modernisering (zie hier voor de het adviesrapport). Art. 23 gaat over onze vrijheid van onderwijs. De vrijheid voor ouders om eigen scholen te stichten en het recht op gelijke bekostiging van openbaar – en bijzonder onderwijs. De vrijheid uit de grondwet staat in schril contrast met de werkelijkheid: het stichten en daarna instandhouden van scholen is bijna onmogelijk en daardoor worden er bijna geen nieuwe scholen gesticht (een handjevol per jaar en daarvan haalt slechts een klein deel een zelfstandig bestaan langer dan vijf jaar). Een van de oorzaken hiervan is het begrip ‘richting’ (levensbeschouwing of algemeen).
De afgelopen twee jaar heeft het ministerie van OCW nieuwe wetgeving voorbereid. Niet geïsoleerd vanuit het Haagse kantoor, maar in samenspraak met vele mensen uit het hele land. Medewerkers van het ministerie hebben tijdens diverse gesprekken en conferenties alle denkbare input gekregen om een wetsvoorstel te maken dat meer ruimte geeft aan nieuwe scholen is én het hele stelsel overeind houdt. Het voorstel ligt momenteel bij de Raad van State.
Het wetsvoorstel lost de belemmeringen van het begrip ‘richting’ op: voortaan mogen er ook scholen worden gesticht op grond van pedagogisch- en onderwijskundige opvattingen in plaats van op levensbeschouwelijke grondslagen. Er zijn echter ook andere belemmeringen bij het stichten van een school, zoals de hoge stichtingsnorm (= minimaal aantal leerlingen) en het moeizaam verkrijgen van huisvesting. In het artikel van de Landelijke Vereniging van Onderwijsadviseurs van de VNG kunt u hierover meer lezen. Het artikel vindt u hier.