Opinie: wat is er wel en niet mis met competentiegericht onderwijs?

Vanaf 2010 dienen alle mbo-opleidingen competentiegericht onderwijs te verzorgen. Of dat een ingrijpende onderwijsvernieuwing is zoals velen beweren, staat te bezien want het gaat alleen om het opnieuw beschrijven van de beroepen waartoe wordt opgeleid met als doel beroepspraktijk en opleidingen dichter bij elkaar te brengen en leerlingen beter op te leiden. Die (nieuwe) beschrijvingen heten kwalificatiedossiers en zijn vastgesteld door vertegenwoordigers van onderwijsinstellingen, werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties.

Het beschrijven van de beroepen gebeurt aan de hand van de opsomming van kerntaken (meestal twee tot vier), werkprocessen, competenties, prestatie-indicatoren en vakkennis plus vaardigheden.
Welk onderwijskundige en didactische vorm de opleidingen aan het beroepsonderwijs geven, staat volledig vrij. In de kwalificatiedossiers lezen we letterlijk: ‘Het kwalificatiedossier is uitvoerbaar onafhankelijk van het gekozen onderwijsconcept’. Of opleidingen kiezen voor het oude dan wel het nieuwe leren, voor zelfstandig leren dan wel niet zelfstandig leren, voor individueel leren dan wel samenwerkend leren is de overheid om het even. Het enige dat opleidingen behoren aan te tonen is dat de leerling na zijn scholing voldoet aan de eisen van het kwalificatiedossier.

De commotie over wat ‘competentiegericht onderwijs’ is gaan heten, doet, op zijn zachtst gezegd, nogal vreemd aan. De geuite klachten over competentiegericht onderwijs zijn klachten over de onderwijskundige en didactische vormgeving die onderwijsinstellingen zelf, in vrijheid, aan dat onderwijs geven.

Er valt echter op een heel ander punt kritiek te leveren op competentiegericht onderwijs en dat is de plaats en betekenis die competenties krijgen toebedeeld. Wie namelijk probeert te achterhalen wat competenties zijn, raakt snel het spoor bijster. Soms zijn het wenselijke eigenschappen van een beroepsbeoefenaar (flexibel, inlevend, communicatief, reflexief), soms zijn het bekwaamheden, dan weer gaat het om ‘integratie van kennis, houding en vaardigheden’ of om een ‘vermogen om bepaalde prestaties te leveren’. Het zijn tegenstrijdige en vage omschrijvingen.
De competenties die de kwalificatiedossiers noemen, zijn formuleringen als ‘aandacht en begrip tonen’, ‘met druk en tegenslag omgaan’, ‘gedrevenheid tonen’, ‘creëren en innoveren’ en ga zo maar door. Daar valt moeilijk beroepsonderwijs van te maken en het is niet vreemd dat docenten geen raad weten met competenties en competentiegericht onderwijs.
Het is onbegrijpelijk dat het begrip competentie zo’n prominente rol speelt bij de onderwijsverandering in het mbo (en hbo). Wat houdt mbo en hbo tegen om een eenvoudiger begrip als beroepstaak tot uitgangspunt te nemen?

Leerlingen volgen een beroepsopleiding om beroepstaken te leren. Iedere opleiding stelt daarom vast om welke (meestal tien tot hooguit dertig) beroepstaken dat gaat – de in het kwalificatiedossier genoemde werkprocessen bieden daartoe een prima uitgangspunt.
Docenten onderzoeken vervolgens op welke wijze deze beroepstaken het best kunnen worden geleerd, bij voorkeur in een stage, of, als dat niet kan, op school. En op school zal de beroepstaak toch graag als één geheel worden geleerd door middel van praktijkopdrachten, een leerbedrijf of simulatie. Daarna vragen docenten zich af of op deze wijze de noodzakelijke vakkennis en vaardigheden grondig aan bod komen of dat aanvullende conceptuele cursussen en trainingen nodig zijn.
Als duidelijk is op welke wijze de beroepstaken kunnen worden geleerd, schrijven docenten opdrachten uit voor hun leerlingen, overeenkomstig de gang van zaken in de toekomstige arbeidspraktijk waarin ook opdrachten (geen bevelen) worden aanvaard en uitgevoerd. Opdrachten maken duidelijk welke betrekking bestaat tussen docenten en leerling of student. De een is opdrachtgever, de ander opdrachtontvanger, dat voorkomt de vrijblijvendheid die veel onderwijs kenmerkt.
Het leren zit in de uitvoering van inspirerende realistische opdrachten en de hulp die docenten geven in de vorm van uitleggen, demonstreren, voordoen, vragen stellen, verduidelijken, beoordelen, bemoedigen. Alle didactische werkvormen kunnen worden ingezet, maar staan allemaal in dienst van de opdrachten. Een hoorles is bedoeld om een komende opdracht uit te leggen, toe te lichten en zo nodig voor te doen. Of bedoeld om uitgevoerde opdrachten door te spreken, te corrigeren, te beoordelen, aan te vullen. Een project is bedoeld om de opdracht tot het maken van een echt beroepsproduct uit te voeren, conform de beroepsrealiteit.

Het examenprobleem kan op deze wijze ook definitief worden opgelost. Een leerling of student is geslaagd als hij aantoont dat hij de beroepstaken kan uitvoeren en die uitvoering professioneel kan beredeneren en verantwoorden. Dat is iets anders dan het beantwoorden van veertig multiple choice vragen of aantonen dat vage competenties zijn geleerd.

Beroepsopleidingen doen er verstandig aan afscheid te nemen van competenties en van competentiegericht onderwijs. Wie per se een naam aan het nieuwe onderwijs wil geven, mag wat ons betreft voortaan spreken van beroepsgericht onderwijs, dat is onderwijs dat zich baseert op beroepstaken.

Marjolein Ploegman en Dick de Bie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *