Twee argumenten voor opdrachten in het onderwijs

We hebben twee belangrijke argumenten om opdrachten centraal te stellen in het onderwijs.

  1. Opdrachten fungeren als stuurmiddel
    Het leerproces is een zaak van de lerende. Het zijn de activiteiten van de lerende die tot gewenste leerresultaten leiden. Leren bestaat in alle gevallen uit iets doen, hoe eenvoudig dat doen ook kan zijn: luisteren, nadoen, lezen, oefenen, oplossen… De docent zorgt door middel van opdrachten er niet alleen voor dat leerlingen en studenten iets doen, maar dat het ook om doen gaat dat tot zinvol en bedoeld leren leidt. De inhoud van de opdrachten zorgt voor die zinvolheid, die inhoud is overwogen en afgeleid van de beroepstaken die geleerd willen worden. Opdrachten vormen dankzij die inhoud het middel bij uitstek waarmee de docent rechtstreeks het doen, en daarmee het leren van de leerling en de student, richting kan geven, vaak ook sturen genoemd. Waar opdrachten ontbreken, ontbreekt het sturingsmiddel.
  1. Opdrachten maken de betrekking helder
    De opdracht maakt de betrekking tussen docent en lerende honderd procent duidelijk. De docent geeft leiding en is verantwoordelijk voor de opdrachtgeving. De lerende ontvangt leiding en is verantwoordelijk voor de uitvoering van de opdrachten. Er is niet de vaagheid die we in het begeleiden en het coachen aantreffen, waar het onhelder is wie nu precies op wat aan te spreken is en waar op uitsluitend goede bedoelingen vertrouwd wordt.
    De docent is opdrachtgever en daarmee is de betrekking tussen docent en lerende duidelijk en helder. Er is een scheiding van verantwoordelijkheden en er is niet sprake van een ‘gedeelde’ of ‘gemeenschappelijke’ verantwoordelijkheid. De docent spreekt student of leerling aan op het uitvoeren van de opdracht, de student of leerling spreekt de docent aan op de hulp die nodig is om de uitvoering te leren. Opdrachten maken mensen verantwoordelijk, zonder opdracht is er geen verantwoordelijkheid. Een verzoek (‘willen jullie voor volgende week deze opgave uitwerken’) of een vriendelijke suggestie (‘ik zou het fijn vinden als jullie voor volgende week deze sommen maken’) missen de ondubbelzinnigheid en de kracht van de opdracht. Opdrachten gaan goed samen met (toenemende) zelfstandigheid van de leerling en student. Al maken leerlingen en studenten hun eigen opdrachten, deze worden bekrachtigd in de overeenkomst tussen de docente en leerling of student.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *