45% blijft zitten en andere cijfers

Bij verschillende werkzaamheden kom ik cijfers en verschijnselen tegen. Hieronder een overzicht. Rijp en groen door elkaar en bij elkaar geen vrolijk beeld.
Bijvoorbeeld: meer dan 50% van de kinderen doorloopt de basis- en middelbare school niet binnen de nominale opleidingsduur. Het aantal zittenblijvers in funderend onderwijs is 45%, het aantal versnellers in po is 8% (vo kent geen versnellers), samen is dat 53%. Slechts 47% van alle kinderen rondt het traject po-vo dus af in de nominale opleidingsduur.
Dat is opmerkelijk. We hebben een standaard ontwikkeld waar één van de twee kinderen niet aan kan voldoen.
Als je alle afstroom en opstroom zou meetellen en praktijkonderwijs eraf zou halen (daar kun je namelijk niet blijven zitten) dan is het percentage kinderen dat het funderend onderwijs (dat bij hem/haar past qua potentieel) binnen de nominale opleidingsduur afrondt nog veel kleiner.
Laat staan als je alle studiehulp buiten school erbij zou betrekken: toetstrainingen, huiswerkbegeleiding, bijles, lente- en zomerscholen en niet te vergeten al die ouders die vele uren per week hun kinderen helpen met huiswerk maken.
Stel je voor dat bij werknemers de partners wekelijks moeten bijspringen om het werk te doen!

Meer cijfers en verschijnselen:

  • Segregatie en kansen: huidige stelsels van onderwijs en kinderopvang houden segregatie en kansen-ongelijkheid in stand (bron ‘Staat van het Onderwijs’ Onderwijsinspectie, 2014-2015)
    IKC’s versterken segregatie en kansen-ongelijkheid (bron CPB, 2017)
    Harmonisatie ko en psz leidt (nog) niet tot ‘samen opgroeien’.
  • Gebruik: 40% van de kinderen van laagopgeleiden maakt geen gebruik van voorschoolse voorzieningen versus 8% hoogopgeleiden (bron ‘Gelijk goed van start’, SER, 2016)
  • Zittenblijven en versnellen
    45% blijft zitten in funderend onderwijs (bron CPB 2015/1)
    16% blijft zitten op basisschool
    8% versnelt op basisschool
    27% vd 15-jarigen is blijven zitten
    47% vd Havo-leerlingen is blijven zitten
    (kosten: € 500 mln per jaar; bron ‘IBO Effectieve leerroutes in funderend onderwijs’, 2015)
  • Afstroom: 7% Havo-3 stroomt af naar Vmbo (bron CBS)
  • Zorgleerlingen: 20% is zorgleerling (volgens scholen, bron Onderwijsraad)
  • 36.000 kinderen maakt gebruik van s(b)o (bron Rijksoverheid, 2015)
  • 8% heeft dyslexie; 32 per 1000 ontvangen behandeling hiervoor
  • 125.000 kinderen 6-18 jaar gebruiken Ritalin (= 4,5%) (bron Gezondheidsraad)
  • 10% ontvangt Jeugdhulp (bron Jeugdhulp 1e halfjaar 2016)
  • 18% vd 9-jarige autochtone kinderen ontvangt Jeugdhulp (bron Landelijke Jeugdmonitor 2016)
  • Armoede: 226.000 < 18 jaar leeft op bijstandsniveau; in Rotterdam 1 op de 6 kinderen (met name eenoudergezinnen)
  • 18% van de 15-jarigen is laaggeletterd (bron ‘PISA’, 2015)
  • pesten: 76% is betrokken bij pesten, 65% wordt gepest (bron SAQI)
  • Toetsbelasting: 11/12-jarige leerling in Atheneum 1 wordt in 37 weken 149x beoordeeld met een cijfer op een honderdpuntsschaal
  • < 50% Hbo-studenten haalt diploma binnen 5 jaar, dat is al met 25% studievertraging

Doorgaande lijn

Er zijn van die begrippen die vaak worden gebruikt zonder dat precies duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. In basisonderwijs en kinderopvang gaat het bijvoorbeeld om begrippen als: doorgaande lijn, integratie, achterstandskind, zorgleerling, toegankelijkheid, één voorziening, één team. Het wordt problematisch als mensen die met elkaar in gesprek zijn uitgaan van verschillende betekenissen en dit niet duidelijk is.
Van het begrip ‘doorgaande lijn’ zijn bijvoorbeeld minstens acht verschillende betekenissen. Dan is het niet moeilijk om je voor te stellen hoe onbevredigend een gesprek hierover kan verlopen.
Een doorgaande lijn, wat kan dit zijn? Lees hier de mogelijkheden.

Harmonisatie en samen opgroeien? – kinderopvang en peuterspeelzalen

Momenteel worden de voorschoolse voorzieningen geharmoniseerd. Dit proces moet zijn voltooid per 01-01-2018.
Er zijn grofweg twee soorten voorschoolse organisaties:

  1. Kinderdagverblijven (kdv) en
  2. Peuterspeelzalen (psz).

En er zijn drie soorten voorschools aanbod:

  1. halve en hele dagen ‘opvang’, voor één halve tot vijf hele dagen opvang per week;
  2. 2,5-uurs opvang, meestal tweemaal per week en
  3. voor- en vroegschoolse educatie (vve), opvang van hogere kwaliteit meestal voor viermaal 2,5 uur per week; dit kan zowel in kdv als psz worden aangeboden.

‘Opvang’ houdt kortweg in: oppas en ontwikkelingsmogelijkheden.
Vve is dus bedoeld voor kinderen met een (dreigende) achterstand in de Nederlandse taal. Deze kinderen worden doelgroepkinderen genoemd. Informatie over vve vindt u hier.

De harmonisatie die nu gaande is, houdt samengevat in:

  • Werkende ouders kunnen ook voor opvang in een psz kinderopvangtoeslag krijgen. Tot nu bestaat er alleen kinderopvangtoeslag voor opvang in een kdv.
  • De kwaliteitseisen voor kdv en psz worden gelijkgetrokken. De eisen aan psz’n zijn nu lager dan aan kdv’n. Als de eisen zijn gelijkgetrokken dan mogen psz’n onder andere niet meer werken met vrijwilligers en moet de binnen- en buitenruimte aan strengere eisen voldoen.

Kindcentra
Psz’n die aan de harmonisatie-eisen voldoen, worden ‘kindcentra’ genoemd. Dit is een naam die verwarrend is want er bestaan al jaren Integrale Kindcentra (IKC), die soms ook Kindcentra (KC) worden genoemd. (I)KC is al de nieuwe naam van de Brede School die al sinds de jaren 90 bestaat. Een brede school/(i)kc is een voorziening onder één dak waar kdv, psz, basisschool en buitenschoolse opvang zijn gehuisvest.

Samen opgroeien en gelijkere kansen
Om van psz’n kindcentra te maken, zijn veel mensen druk maar deze drukte draagt nauwelijks bij aan het oplossen van het grote probleem en dat is peutersegregatie. Peutersegregatie versterkt de ongelijke kansen van minder bedeelde kinderen.
Ondanks deze harmonisatie blijft het stelsel met twee voorzieningen – peuterspeelzaal en kinderdagverblijf – in stand. Juist het bestaan van deze twee verschillende voorzieningen belemmert het samen opgroeien van kinderen en samen opgroeien is voorwaarde voor gelijkere kansen.
Kinderen van werkende ouders gaan namelijk naar het kdv. Kinderen van niet werkende ouders naar de psz. Doelgroepkinderen (dus kinderen met een dreigende achterstand) gaan naar de psz waar verreweg de meeste vve wordt gegeven. De harmonisatie zal dat nauwelijks veranderen.
Peuterspeelzalen worden dan wel financieel aantrekkelijker voor werkende ouders maar kinderdagverblijven worden niet bereikbaar voor niet-werkende ouders. Daarvoor zouden kinderdagverblijven ‘kwart-dagen’ moeten gaan aanbieden – het tijdsblok van 2,5 uur van de peuterspeelzaal – en actief moeten gaan werven onder niet-werkende ouders. Dat zie ik nog niet gebeuren.

In deze kamerbrief van 10-02-2017 meer over de drukte rond de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

 

Dyslexie – aan wie ligt het nu weer?

Dyslexie – gaat het over leesblindheid, leestempo, woordbeeld, spelfouten? Heeft iets of iemand er ‘schuld aan’? In korte tijd roepen deskundigen ‘het komt door slecht onderwijs’ (zie bijvoorbeeld dit artikel uit het Algemeen Dagblad van 9 februari 2017) terwijl een ander de slechte methodes noemt, lees bijvoorbeeld dit artikel uit Trouw. Dyslexie is evenwel een onderwerp dat al decennia lang de gemoederen bezighoudt, net als andere ‘afwijkingen’ van het gangbare en gemiddelde.
Pieter Mostert schreef er een helder verhaal over, lees het hier. Een verhaal gebaseerd op praktijk en wetenschap.

Genoeg bouwstenen denk ik om een constructief gesprek te voeren over onderliggende vragen, zoals deze:

  • is de gangbare werkwijze – ieder kind krijgt dezelfde lessen tot ie uitvalt en dan begint eventueel het maatwerk – het beste? en
  • waar zit de pijn? In de ongelijke kansen, in het als afwijkend worden bestempeld, in het gesloten blijven van deuren voor jou en dat de leerkracht dat bepaalt, in het onrecht dat het jou meer moeite kost dan voor een ander om iets te leren? In andere kwesties?

Immers, een gesprek over schuld leidt niet tot betere ontwikkelingsmogelijkheden van mensen.

 

Meer ruimte voor nieuwe scholen (art. 23 Grondwet)

In 2012 heeft de Onderwijsraad advies uitgebracht over de werking van art. 23 Grondwet met daarbij suggesties voor modernisering (zie hier voor de het adviesrapport). Art. 23 gaat over onze vrijheid van onderwijs. De vrijheid voor ouders om eigen scholen te stichten en het recht op gelijke bekostiging van openbaar – en bijzonder onderwijs. De vrijheid uit de grondwet staat in schril contrast met de werkelijkheid: het stichten en daarna instandhouden van scholen is bijna onmogelijk en daardoor worden er bijna geen nieuwe scholen gesticht (een handjevol per jaar en daarvan haalt slechts een klein deel een zelfstandig bestaan langer dan vijf jaar). Een van de oorzaken hiervan is het begrip ‘richting’ (levensbeschouwing of algemeen).
De afgelopen twee jaar heeft het ministerie van OCW nieuwe wetgeving voorbereid. Niet geïsoleerd vanuit het Haagse kantoor, maar in samenspraak met vele mensen uit het hele land. Medewerkers van het ministerie hebben tijdens diverse gesprekken en conferenties alle denkbare input gekregen om een wetsvoorstel te maken dat meer ruimte geeft aan nieuwe scholen is én het hele stelsel overeind houdt. Het voorstel ligt momenteel bij de Raad van State.
Het wetsvoorstel lost de belemmeringen van het begrip ‘richting’ op: voortaan mogen er ook scholen worden gesticht op grond van pedagogisch- en onderwijskundige opvattingen in plaats van op levensbeschouwelijke grondslagen. Er zijn echter ook andere belemmeringen bij het stichten van een school, zoals de hoge stichtingsnorm (= minimaal aantal leerlingen) en het moeizaam verkrijgen van huisvesting. In het artikel van de Landelijke Vereniging van Onderwijsadviseurs van de VNG kunt u hierover meer lezen. Het artikel vindt u hier.

IKC – Een school om van te dromen

Na de hausse van brede scholen ontstaan nu in grote aantallen Kindcentra, al dan niet Integraal. Wat beogen die Centra en wat beloofde School ons eigenlijk?

Het woord ‘school’ komt uit het Grieks. Bij de oude Grieken betekende het woord reeds ‘school’ of ‘les’, maar had het ook een veel ruimere betekenis, namelijk: de tijd dat je niet druk bezig hoeft te zijn met iets. Je zou kunnen zeggen dat oorspronkelijk een school een plek is waar veel tijd is en waar je ‘de tijd kunt nemen’ voor wat je interesseert. School zou dus een plek moeten zijn waar veel tijd is om te leren.
Maar het gaat niet alleen om ‘veel’ tijd; het is ook van belang dat die tijd niet op voorhand al helemaal is opgevuld en besteed. Er is nog ‘vrije tijd’, d.w.z. tijd waarvan de leerling in overleg met de leerkracht kan bepalen waaraan hij wordt besteed. Vrije tijd veronderstelt vrije ruimte, om te leren en samen te leven, ruimte op school voor ‘Het volle leven’, zoals onderwijsvernieuwer Jan Ligthart het noemde.
Woorden als ‘vrije tijd’ en ‘vrije ruimte’ hebben de bijklank van ‘daar mag je lekker helemaal doen wat je wilt en niemand mag zich daar mee bemoeien’. Dat is niet het beeld dat bedoeld wordt, een school waar leerlingen leren door – op heel verschillende manieren – op onderzoek uit te gaan en door samen vorm te geven aan samenleven: vrijheid, verantwoordelijkheid, burgerschap, respect. Dat zijn geen onderwerpen uit de lesstof, maar waarden die in het samenleven op school zouden kunnen/moeten worden gepraktiseerd.
Eigenlijk hebben de oude Grieken het wel goed bekeken, toen ze het woord ‘school’ kozen. Ze kozen een woord dat is afgeleid van het Griekse woord voor ‘terughoudendheid’.
Op school leer je terughoudend te zijn in je oordelen, ons gelijk [‘zo is het en doe maar zoals ik het zeg’] en daardoor wordt ruimte geschept om te onderzoeken en om samen te leven.

Hoe ver staat dit af van de praktijk op veel scholen? School = druk = werk = vol regels en beperkingen = haast = zorgen dat je nu dit en straks dat af hebt. School is verworden tot een ‘werkplek’ voor kinderen. Niet het leren bepaalt de organisatie, maar het werken. Kinderen brengen op school hun werkuren door: er zijn boeken, die moeten worden doorgewerkt, er zijn veel regels en deadlines, honderden toetsen en testen, er is iemand die toezicht houdt en het werk controleert. En dat alles onder tijdsdruk: het moet nu en snel en niet morgen of volgende maand.

Na zo’n schooldag is het een verademing om naar huis of de buitenschoolse opvang (bso) te gaan waar vooral niets van dat werk-juk heerst. Bso wil weliswaar een educatieve en pedagogische functie hebben, maar vooral niet de dwang en werkdruk van een school.

En nu gaan school en bso samen in (Integrale) Kindcentra – IKC of KC – en worstelt iedereen met de inrichting en vormgeving daarvan. Zelden leidt KC-vorming tot een wezenlijke verandering van ‘school’ zoals hierboven beschreven. Het onderwijsdeel blijft zoals het was en de kinderopvang repareert wat het onderwijs nalaat zelf te herstellen. Dat is vreemd als je bedenkt dat ‘onderwijs’ meestal de problemen rond leren en opgroeien genereert, niet de kinderopvang (daarmee wordt natuurlijk het stelsel bedoeld, niet de individuele medewerkers).

In een Kindcentrum komen reeds bestaande tijd en middelen samen. Bundel deze en voeg daar een moderne, vergaande vorm van medezeggenschap aan toe, ook op het niveau van het individu en je hebt alle ingrediënten voor een herontwerp van ‘school’ die vele, zeer vele, hardnekkige onderwijsproblemen voorkomt dan wel oplost.

Waarom keren we met het KC dus niet terug naar de bedoelde oorsprong en noemen we het ‘gewoon’ SCHOOL?

Meepraten met OCW over wetsvoorstel Nieuwe scholen

Het ministerie van OCW en de politiek willen Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. Het gaat hier om een gewichtig onderwerp, namelijk de invulling van artikel 23 van onze Grondwet die handelt over Vrijheid van Onderwijs.
In de praktijk van de afgelopen jaren blijkt het bijna onmogelijk om nieuwe scholen op te richten. Dat De School is opgericht en is blijven bestaan na de eerste vijf jaar, is uitzonderlijk. Het hele proces heeft tien jaar genomen en er zijn duizenden uren (!) aan besteed.
Het nieuwe wetsvoorstel zou enerzijds het stichten van nieuwe scholen realistisch moeten maken, anderzijds wil men een betere kwaliteits- en duurzaamheidsborging.
Het wetsvoorstel heeft al vorm gekregen. In oktober 2016 heeft iedereen de gelegenheid om mee te denken en te praten. Er worden vijf regionale bijeenkomsten gehouden en die zijn voor iedereen toegankelijk. Kijk hier voor precieze informatie en laat uw opvattingen en ervaringen horen!

Strengere regels voor vrijwillige ouderbijdrage?

In het onderwijsblad van de AOB (Algemene Onderwijs Bond) van 18 juni 2016 pleiten de AOB en de SP voor aanscherping van de regels betreffende de vrijwillige ouderbijdrage die door scholen wordt gevraagd.
De kern van het betoog is: ‘onderwijs is een grondrecht en publiek gefinancierd onderwijs mag geen financiële drempels opwerpen’.
Niemand zal het oneens zijn met dit betoog. Echter, effectuering hiervan zal morrelen aan diezelfde grondrechten: het beperkt de innovatiekracht van scholen en de vrijheid van onderwijs. Daarnaast volstaan de huidige regels om vrijheid van schoolkeuze voor alle ouders en kinderen te beschermen.
De voorgestelde aanscherping houdt deze twee regels in:

  1. een maximering van de vrijwillige ouderbijdrage en
  2. het verbod dat de ouderbijdrage besteed wordt aan het verbeteren van het onderwijs.

In deze notitie een beschouwing op de mogelijke gevolgen hiervan.
Het artikel ‘Ouderbijdrage versterkt tweedeling’ van de AOB vindt u hier.
Het rapport ‘De vrijwillige ouderbijdrage in het primair onderwijs 2013/2014’ vindt u hier.

Advies voortgezet onderwijs: duidelijkere richtlijnen

Onderwijs zou een belangrijk instrument moeten zijn om sociale ongelijkheid tussen kinderen te verkleinen. Uit onderzoek van de Onderwijsinspectie blijkt dat dit niet het geval is in Nederland. De staatssecretaris komt nu met duidelijkere richtlijnen voor scholen betreffende het schooladvies (= het advies van de basisschool over het vervolgonderwijs). Deze richtlijnen kunt u lezen in deze brief. De brief bevat twee richtlijnen:

  • als de eindtoets hoger uitvalt dan het advies, dan moet de basisschool het advies heroverwegen
  • dubbele schooladviezen zijn nadrukkelijk wel toegestaan

Persoonlijk vind ik de eerste richtlijn nog veel te zwak daar ouders en kinderen geen plek hebben in de besluitvorming over die heroverweging. Dat blijft een ernstige tekortkoming in ons onderwijssysteem: het gaat over kinderen, ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen maar beide hebben geen enkele vorm van zeggenschap betreffende het individu.

Twee instrumenten tegen sociale ongelijkheid zijn: meer + variabele onderwijstijd en zeggenschap voor ouders, kinderen en leerkrachten!