500 miljoen besparen is kwestie van tijd

Zittenblijven kost jaarlijks 500 miljoen. Om een idee te krijgen van hoeveel dat is: voor dat bedrag kunnen ruim 64.000 kinderen een jaar lang voortgezet onderwijs krijgen.
In Nederland blijft 45% van de kinderen minstens één keer zitten in basis – en voortgezet onderwijs. Met een zomerschool van twee weken, gaat 85% van de kinderen alsnog over. Met relatief weinig inspanning blijkt een jaar zittenblijven dus te voorkomen. En dit zouden scholen zomaar zelf kunnen organiseren. Namelijk door de zomerstop te beperken tot 6 weken in plaats van 9 weken. Feitelijk wordt er namelijk 9 weken geen les gegeven en daarmee worden 3 kostbare leerweken gemist. Kijk maar mee:

  • 5-7 t/m 12-7 proefwerkweek: 1 proefwerk per dag, geen les, geen hulp meer;
  • 13-7: geen les, cijfers ophalen;
  • 14-7: boeken inleveren;
  • 13-7 t/m 21-7: vrij, geen les, geen hulp of inhaalmogelijkheden, maar je mag niet op vakantie;
  • 21-7: cijfers persoonlijk ophalen; Leerplicht wordt ingelicht als je 21-7 niet voor 13 uur persoonlijk je cijferlijst hebt opgehaald.

Er is overigens ook geen mogelijkheid voor kind of ouder om met school te spreken over het rapport – maar dat is een ander verhaal. Zie een voorbeeld van een school-infobrief hier.
School begint weer op 4 of 5 september. Waarschijnlijk start het jaar met een vrije dag voor leerlingen (studiedag leerkrachten), de tweede dag is alleen voor het ophalen van het rooster en dan is het 6 september. Precies 9 weken na de laatste lesdag van het vorige schooljaar.

Onderwijstijd is iets anders dan leertijd. Leren gedijt bij een betere spreiding over het jaar. Feitelijk bestaat een schooljaar nu uit 37 weken; 15 weken kunnen niet benut worden. Door de onderwijstijd beter te spreiden kan er met dezelfde onderwijstijd meer geleerd worden. Bij de jaarplanning zou er meer gekeken kunnen worden naar leertijd in plaats van onderwijs- lees werktijd van docenten. 500 Miljoen is dan snel verdiend!

 

Risico’s en aandachtspunten IKC

Aan IKC’s kleven ook nadelen en risico’s. Hier vindt u een aantal. Er wordt veel geïnvesteerd in het vormen van ikc’s: samenwerkingsverbanden tussen school, opvang, peuterspeelzalen en andere organisaties die zich bezighouden met de ontwikkeling van kinderen. Samenwerking lijkt voor de hand liggend maar welke problemen worden eigenlijk opgelost? Zijn de op te lossen problemen ook belangrijk? Zijn er betere en/of goedkopere alternatieven? En, zoals gezegd, kleven er ook nadelen aan de IKC-panacee? Vragen die gesteld moeten worden bij grote investeringen in geld, tijd en middelen. Want de middelen zijn schaars en de noden van kinderen en samenleving groot.

45% blijft zitten en andere cijfers

Een overzicht van allerlei cijfers. Rijp en groen door elkaar en allen hebben te maken met leren en onderwijs. Bijvoorbeeld: meer dan 50% van de kinderen doorloopt de basis- en middelbare school niet binnen de nominale opleidingsduur. Het aantal zittenblijvers in funderend onderwijs is 45%, het aantal versnellers in po is 8% (vo kent geen versnellers), samen is dat 53%. Slechts 47% van alle kinderen rondt het traject po-vo dus af in de nominale opleidingsduur.
Dat is opmerkelijk. We hebben een standaard ontwikkeld waar één van de twee kinderen niet aan kan voldoen. Bij de lerarenopleidingen past de standaard zelfs 2 van de 3 studenten niet.
Als je alle afstroom en opstroom zou meetellen en praktijkonderwijs eraf zou halen (daar kun je namelijk niet blijven zitten) dan is het percentage kinderen dat het funderend onderwijs (dat bij hem/haar past qua potentieel) binnen de nominale opleidingsduur afrondt nog veel kleiner.
Laat staan als je alle studiehulp buiten school erbij zou betrekken: toetstrainingen, huiswerkbegeleiding, bijles, lente- en zomerscholen en niet te vergeten al die ouders die vele uren per week hun kinderen helpen met huiswerk maken. Zonder deze hulp zou slechts een heel klein deel van de kinderen het funderend onderwijs soepel doorlopen. Stel je voor dat bij werknemers de partners wekelijks moeten bijspringen om het werk te doen!
Voor alle onderstaande cijfers zou je vergelijkbare redeneringen kunnen opbouwen.

  • De Cito-eindtoets basisonderwijs meet 10-12 kerndoelen op één wijze (schriftelijk, gefragmenteerd en meerkeuze). Het leerlingvolgsysteem idem. Basisonderwijs moet gaan over 52 kerndoelen. Kinderen worden dus afgerekend op hun prestaties in 20% van de kerndoelen.
  • De Cito-eindtoets bestaat uit 200 vragen. Een leerling die scoort op vmbo-t-niveau kan ruim 80 van de 200 vragen niet (juist) beantwoorden.
  • Segregatie en kansen: huidige stelsels van onderwijs en kinderopvang houden segregatie en kansen-ongelijkheid in stand (bron ‘Staat van het Onderwijs’ Onderwijsinspectie, 2014-2015)
    IKC’s versterken segregatie en kansen-ongelijkheid (bron CPB, 2017)
    Harmonisatie ko en psz leidt (nog) niet tot ‘samen opgroeien’.
  • Gebruik: 40% van de kinderen van laagopgeleiden maakt geen gebruik van voorschoolse voorzieningen versus 8% hoogopgeleiden (bron ‘Gelijk goed van start’, SER, 2016)
  • Zittenblijven en versnellen
    45% blijft zitten in funderend onderwijs, in Havo-4 blijft 18% zitten (bron CPB)
    16% blijft zitten op basisschool
    8% versnelt op basisschool
    27% vd 15-jarigen is blijven zitten
    47% vd Havo-leerlingen is blijven zitten
    (kosten: € 500 mln per jaar; bron ‘IBO Effectieve leerroutes in funderend onderwijs’, 2015)
  • Afstroom: 7% Havo-3 stroomt af naar Vmbo (bron CBS)
  • Zorgleerlingen: 20% is zorgleerling (volgens scholen, bron Onderwijsraad)
  • 36.000 kinderen maakt gebruik van s(b)o (bron Rijksoverheid, 2015)
  • 8% heeft dyslexie; 32 per 1000 ontvangen behandeling hiervoor
  • 125.000 kinderen 6-18 jaar gebruiken Ritalin/methylfenidaat (= 4,5%)
    (bron Gezondheidsraad)
  • 13% van kinderen in basisschoolleeftijd maakte in 2016 gebruik van jeugdhulp, dat zijn 192.000 kinderen (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • relatie jeugdhulp en funderend onderwijs? Percentages kinderen per leeftijdscategorie dat gebruik maakt van jeugdhulp: 3% < 4 jr, 13% 4-11 jr, 12% 12-17 jr, 1% > 17 jr. (maar jeugdhulp is in principe tot 18 jaar en kan eventueel worden voortgezet tot 23 jaar) (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • in 2016 liepen 515.000 jeugdhulptrajecten (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • in 2016 ontvingen 388.000 kinderen jeugdhulp; 159.000 meisjes en 219.000 jongens (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • 18% vd 9-jarige autochtone kinderen ontvangt Jeugdhulp (bron Landelijke Jeugdmonitor 2016)
  • Armoede: 226.000 < 18 jaar leeft op bijstandsniveau; in Rotterdam 1 op de 6 kinderen (met name eenoudergezinnen)
  • 18% van de 15-jarigen is laaggeletterd (bron ‘PISA’, 2015)
  • pesten: 76% is betrokken bij pesten, 65% wordt gepest (bron SAQI)
  • toetsbelasting: in brugklas wordt kind ongeveer 150x beoordeeld met een cijfer op een honderdpuntsschaal
  • < 50% Hbo-studenten haalt diploma binnen 5 jaar, dat is al met 25% studievertraging
  • 35% van de studenten van de lerarenopleidingen haalt binnen 5 jaar een diploma (bron Staat van het Onderwijs 2015/2016)
  • 37% mbo’ers van > 18 jaar heeft schuld (bron Nibud 2016)
  • relatie opleiding en beroep: slechts 47% van de mannen en 29% van de vrouwen met een afgeronde technische opleiding heeft een technisch beroep (bron CBS 2016)
  • 16% van de afgestudeerden mbo, hbo en wo heeft spijt van de opleidingskeuze (bron UWV/ROA 2012)
  • van de kinderen met een dubbel vo-advies haalt 10% het hoogste advies daadwerkelijk (bron Staat van het Onderwijs 2015/2016)
  • 33% vd > 15-jarigen heeft beperkte gezondheidsvaardigheden. Gevolgen: 7 jaar korter leven en 19 jaar mindere gezondheid (bron WHO en Loket gezond leven-Rijksoverheid)
  • 87% van de leerkrachten in basisonderwijs is vrouw (in 2015), daarvan werkt 78% in deeltijd (bron Socioaal Economische trends 2016)
  • 75% van de werknemers in po werkt in deeltijd en de gemiddelde deeltijdfactor is 0,6 (bron Stamos, 2015, afgeleid van BZK, 2015)
  • De Kindertelefoon heeft in 2016 bijna 243.000 gesprekken gevoerd met kinderen tussen 8 en 18 jaar; het meest ‘populaire’ onderwerp waarover is pesten, hierover gingen ruim 23.000 contacten (bron Kindertelefoon Jaarverslag 2016)
  • 72% van de havisten en 65% van de mbo’ers haalt Hbo-opleiding niet in 4 jaar (bron CBS)

Ons onderwijs veroorzaakt naast welvaart ook verlies, teleurstelling en leed. Als we het zichtbaar maken, kunnen we het verminderen.

45% blijft zitten en andere cijfers

Bij verschillende werkzaamheden kom ik cijfers en verschijnselen tegen. Hieronder een overzicht. Rijp en groen door elkaar en bij elkaar geen vrolijk beeld.
Bijvoorbeeld: meer dan 50% van de kinderen doorloopt de basis- en middelbare school niet binnen de nominale opleidingsduur. Het aantal zittenblijvers in funderend onderwijs is 45%, het aantal versnellers in po is 8% (vo kent geen versnellers), samen is dat 53%. Slechts 47% van alle kinderen rondt het traject po-vo dus af in de nominale opleidingsduur.
Dat is opmerkelijk. We hebben een standaard ontwikkeld waar één van de twee kinderen niet aan kan voldoen.
Als je alle afstroom en opstroom zou meetellen en praktijkonderwijs eraf zou halen (daar kun je namelijk niet blijven zitten) dan is het percentage kinderen dat het funderend onderwijs (dat bij hem/haar past qua potentieel) binnen de nominale opleidingsduur afrondt nog veel kleiner.
Laat staan als je alle studiehulp buiten school erbij zou betrekken: toetstrainingen, huiswerkbegeleiding, bijles, lente- en zomerscholen en niet te vergeten al die ouders die vele uren per week hun kinderen helpen met huiswerk maken.
Stel je voor dat bij werknemers de partners wekelijks moeten bijspringen om het werk te doen!

Meer cijfers en verschijnselen:

  • Segregatie en kansen: huidige stelsels van onderwijs en kinderopvang houden segregatie en kansen-ongelijkheid in stand (bron ‘Staat van het Onderwijs’ Onderwijsinspectie, 2014-2015)
    IKC’s versterken segregatie en kansen-ongelijkheid (bron CPB, 2017)
    Harmonisatie ko en psz leidt (nog) niet tot ‘samen opgroeien’.
  • Gebruik: 40% van de kinderen van laagopgeleiden maakt geen gebruik van voorschoolse voorzieningen versus 8% hoogopgeleiden (bron ‘Gelijk goed van start’, SER, 2016)
  • Zittenblijven en versnellen
    45% blijft zitten in funderend onderwijs (bron CPB 2015/1)
    16% blijft zitten op basisschool
    8% versnelt op basisschool
    27% vd 15-jarigen is blijven zitten
    47% vd Havo-leerlingen is blijven zitten
    (kosten: € 500 mln per jaar; bron ‘IBO Effectieve leerroutes in funderend onderwijs’, 2015)
  • Afstroom: 7% Havo-3 stroomt af naar Vmbo (bron CBS)
  • Zorgleerlingen: 20% is zorgleerling (volgens scholen, bron Onderwijsraad)
  • 36.000 kinderen maakt gebruik van s(b)o (bron Rijksoverheid, 2015)
  • 8% heeft dyslexie; 32 per 1000 ontvangen behandeling hiervoor
  • 125.000 kinderen 6-18 jaar gebruiken Ritalin (= 4,5%) (bron Gezondheidsraad)
  • 10% ontvangt Jeugdhulp (bron Jeugdhulp 1e halfjaar 2016)
  • 18% vd 9-jarige autochtone kinderen ontvangt Jeugdhulp (bron Landelijke Jeugdmonitor 2016)
  • Armoede: 226.000 < 18 jaar leeft op bijstandsniveau; in Rotterdam 1 op de 6 kinderen (met name eenoudergezinnen)
  • 18% van de 15-jarigen is laaggeletterd (bron ‘PISA’, 2015)
  • pesten: 76% is betrokken bij pesten, 65% wordt gepest (bron SAQI)
  • Toetsbelasting: 11/12-jarige leerling in Atheneum 1 wordt in 37 weken 149x beoordeeld met een cijfer op een honderdpuntsschaal
  • < 50% Hbo-studenten haalt diploma binnen 5 jaar, dat is al met 25% studievertraging

Doorgaande lijn

Er zijn van die begrippen die vaak worden gebruikt zonder dat precies duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. In basisonderwijs en kinderopvang gaat het bijvoorbeeld om begrippen als: doorgaande lijn, integratie, achterstandskind, zorgleerling, toegankelijkheid, één voorziening, één team. Het wordt problematisch als mensen die met elkaar in gesprek zijn uitgaan van verschillende betekenissen en dit niet duidelijk is.
Van het begrip ‘doorgaande lijn’ zijn bijvoorbeeld minstens acht verschillende betekenissen. Dan is het niet moeilijk om je voor te stellen hoe onbevredigend een gesprek hierover kan verlopen.
Een doorgaande lijn, wat kan dit zijn? Lees hier de mogelijkheden.

Harmonisatie en samen opgroeien? – kinderopvang en peuterspeelzalen

Momenteel worden de voorschoolse voorzieningen geharmoniseerd. Dit proces moet zijn voltooid per 01-01-2018.
Er zijn grofweg twee soorten voorschoolse organisaties:

  1. Kinderdagverblijven (kdv) en
  2. Peuterspeelzalen (psz).

En er zijn drie soorten voorschools aanbod:

  1. halve en hele dagen ‘opvang’, voor één halve tot vijf hele dagen opvang per week;
  2. 2,5-uurs opvang, meestal tweemaal per week en
  3. voor- en vroegschoolse educatie (vve), opvang van hogere kwaliteit meestal voor viermaal 2,5 uur per week; dit kan zowel in kdv als psz worden aangeboden.

‘Opvang’ houdt kortweg in: oppas en ontwikkelingsmogelijkheden.
Vve is dus bedoeld voor kinderen met een (dreigende) achterstand in de Nederlandse taal. Deze kinderen worden doelgroepkinderen genoemd. Informatie over vve vindt u hier.

De harmonisatie die nu gaande is, houdt samengevat in:

  • Werkende ouders kunnen ook voor opvang in een psz kinderopvangtoeslag krijgen. Tot nu bestaat er alleen kinderopvangtoeslag voor opvang in een kdv.
  • De kwaliteitseisen voor kdv en psz worden gelijkgetrokken. De eisen aan psz’n zijn nu lager dan aan kdv’n. Als de eisen zijn gelijkgetrokken dan mogen psz’n onder andere niet meer werken met vrijwilligers en moet de binnen- en buitenruimte aan strengere eisen voldoen.

Kindcentra
Psz’n die aan de harmonisatie-eisen voldoen, worden ‘kindcentra’ genoemd. Dit is een naam die verwarrend is want er bestaan al jaren Integrale Kindcentra (IKC), die soms ook Kindcentra (KC) worden genoemd. (I)KC is al de nieuwe naam van de Brede School die al sinds de jaren 90 bestaat. Een brede school/(i)kc is een voorziening onder één dak waar kdv, psz, basisschool en buitenschoolse opvang zijn gehuisvest.

Samen opgroeien en gelijkere kansen
Om van psz’n kindcentra te maken, zijn veel mensen druk maar deze drukte draagt nauwelijks bij aan het oplossen van het grote probleem en dat is peutersegregatie. Peutersegregatie versterkt de ongelijke kansen van minder bedeelde kinderen.
Ondanks deze harmonisatie blijft het stelsel met twee voorzieningen – peuterspeelzaal en kinderdagverblijf – in stand. Juist het bestaan van deze twee verschillende voorzieningen belemmert het samen opgroeien van kinderen en samen opgroeien is voorwaarde voor gelijkere kansen.
Kinderen van werkende ouders gaan namelijk naar het kdv. Kinderen van niet werkende ouders naar de psz. Doelgroepkinderen (dus kinderen met een dreigende achterstand) gaan naar de psz waar verreweg de meeste vve wordt gegeven. De harmonisatie zal dat nauwelijks veranderen.
Peuterspeelzalen worden dan wel financieel aantrekkelijker voor werkende ouders maar kinderdagverblijven worden niet bereikbaar voor niet-werkende ouders. Daarvoor zouden kinderdagverblijven ‘kwart-dagen’ moeten gaan aanbieden – het tijdsblok van 2,5 uur van de peuterspeelzaal – en actief moeten gaan werven onder niet-werkende ouders. Dat zie ik nog niet gebeuren.

In deze kamerbrief van 10-02-2017 meer over de drukte rond de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

 

Dyslexie – aan wie ligt het nu weer?

Dyslexie – gaat het over leesblindheid, leestempo, woordbeeld, spelfouten? Heeft iets of iemand er ‘schuld aan’? In korte tijd roepen deskundigen ‘het komt door slecht onderwijs’ (zie bijvoorbeeld dit artikel uit het Algemeen Dagblad van 9 februari 2017) terwijl een ander de slechte methodes noemt, lees bijvoorbeeld dit artikel uit Trouw. Dyslexie is evenwel een onderwerp dat al decennia lang de gemoederen bezighoudt, net als andere ‘afwijkingen’ van het gangbare en gemiddelde.
Pieter Mostert schreef er een helder verhaal over, lees het hier. Een verhaal gebaseerd op praktijk en wetenschap.

Genoeg bouwstenen denk ik om een constructief gesprek te voeren over onderliggende vragen, zoals deze:

  • is de gangbare werkwijze – ieder kind krijgt dezelfde lessen tot ie uitvalt en dan begint eventueel het maatwerk – het beste? en
  • waar zit de pijn? In de ongelijke kansen, in het als afwijkend worden bestempeld, in het gesloten blijven van deuren voor jou en dat de leerkracht dat bepaalt, in het onrecht dat het jou meer moeite kost dan voor een ander om iets te leren? In andere kwesties?

Immers, een gesprek over schuld leidt niet tot betere ontwikkelingsmogelijkheden van mensen.

 

Meer ruimte voor nieuwe scholen (art. 23 Grondwet)

In 2012 heeft de Onderwijsraad advies uitgebracht over de werking van art. 23 Grondwet met daarbij suggesties voor modernisering (zie hier voor de het adviesrapport). Art. 23 gaat over onze vrijheid van onderwijs. De vrijheid voor ouders om eigen scholen te stichten en het recht op gelijke bekostiging van openbaar – en bijzonder onderwijs. De vrijheid uit de grondwet staat in schril contrast met de werkelijkheid: het stichten en daarna instandhouden van scholen is bijna onmogelijk en daardoor worden er bijna geen nieuwe scholen gesticht (een handjevol per jaar en daarvan haalt slechts een klein deel een zelfstandig bestaan langer dan vijf jaar). Een van de oorzaken hiervan is het begrip ‘richting’ (levensbeschouwing of algemeen).
De afgelopen twee jaar heeft het ministerie van OCW nieuwe wetgeving voorbereid. Niet geïsoleerd vanuit het Haagse kantoor, maar in samenspraak met vele mensen uit het hele land. Medewerkers van het ministerie hebben tijdens diverse gesprekken en conferenties alle denkbare input gekregen om een wetsvoorstel te maken dat meer ruimte geeft aan nieuwe scholen is én het hele stelsel overeind houdt. Het voorstel ligt momenteel bij de Raad van State.
Het wetsvoorstel lost de belemmeringen van het begrip ‘richting’ op: voortaan mogen er ook scholen worden gesticht op grond van pedagogisch- en onderwijskundige opvattingen in plaats van op levensbeschouwelijke grondslagen. Er zijn echter ook andere belemmeringen bij het stichten van een school, zoals de hoge stichtingsnorm (= minimaal aantal leerlingen) en het moeizaam verkrijgen van huisvesting. In het artikel van de Landelijke Vereniging van Onderwijsadviseurs van de VNG kunt u hierover meer lezen. Het artikel vindt u hier.

IKC – Een school om van te dromen

Na de hausse van brede scholen ontstaan nu in grote aantallen Kindcentra, al dan niet Integraal. Wat beogen die Centra en wat beloofde School ons eigenlijk?

Het woord ‘school’ komt uit het Grieks. Bij de oude Grieken betekende het woord reeds ‘school’ of ‘les’, maar had het ook een veel ruimere betekenis, namelijk: de tijd dat je niet druk bezig hoeft te zijn met iets. Je zou kunnen zeggen dat oorspronkelijk een school een plek is waar veel tijd is en waar je ‘de tijd kunt nemen’ voor wat je interesseert. School zou dus een plek moeten zijn waar veel tijd is om te leren.
Maar het gaat niet alleen om ‘veel’ tijd; het is ook van belang dat die tijd niet op voorhand al helemaal is opgevuld en besteed. Er is nog ‘vrije tijd’, d.w.z. tijd waarvan de leerling in overleg met de leerkracht kan bepalen waaraan hij wordt besteed. Vrije tijd veronderstelt vrije ruimte, om te leren en samen te leven, ruimte op school voor ‘Het volle leven’, zoals onderwijsvernieuwer Jan Ligthart het noemde.
Woorden als ‘vrije tijd’ en ‘vrije ruimte’ hebben de bijklank van ‘daar mag je lekker helemaal doen wat je wilt en niemand mag zich daar mee bemoeien’. Dat is niet het beeld dat bedoeld wordt, een school waar leerlingen leren door – op heel verschillende manieren – op onderzoek uit te gaan en door samen vorm te geven aan samenleven: vrijheid, verantwoordelijkheid, burgerschap, respect. Dat zijn geen onderwerpen uit de lesstof, maar waarden die in het samenleven op school zouden kunnen/moeten worden gepraktiseerd.
Eigenlijk hebben de oude Grieken het wel goed bekeken, toen ze het woord ‘school’ kozen. Ze kozen een woord dat is afgeleid van het Griekse woord voor ‘terughoudendheid’.
Op school leer je terughoudend te zijn in je oordelen, ons gelijk [‘zo is het en doe maar zoals ik het zeg’] en daardoor wordt ruimte geschept om te onderzoeken en om samen te leven.

Hoe ver staat dit af van de praktijk op veel scholen? School = druk = werk = vol regels en beperkingen = haast = zorgen dat je nu dit en straks dat af hebt. School is verworden tot een ‘werkplek’ voor kinderen. Niet het leren bepaalt de organisatie, maar het werken. Kinderen brengen op school hun werkuren door: er zijn boeken, die moeten worden doorgewerkt, er zijn veel regels en deadlines, honderden toetsen en testen, er is iemand die toezicht houdt en het werk controleert. En dat alles onder tijdsdruk: het moet nu en snel en niet morgen of volgende maand.

Na zo’n schooldag is het een verademing om naar huis of de buitenschoolse opvang (bso) te gaan waar vooral niets van dat werk-juk heerst. Bso wil weliswaar een educatieve en pedagogische functie hebben, maar vooral niet de dwang en werkdruk van een school.

En nu gaan school en bso samen in (Integrale) Kindcentra – IKC of KC – en worstelt iedereen met de inrichting en vormgeving daarvan. Zelden leidt KC-vorming tot een wezenlijke verandering van ‘school’ zoals hierboven beschreven. Het onderwijsdeel blijft zoals het was en de kinderopvang repareert wat het onderwijs nalaat zelf te herstellen. Dat is vreemd als je bedenkt dat ‘onderwijs’ meestal de problemen rond leren en opgroeien genereert, niet de kinderopvang (daarmee wordt natuurlijk het stelsel bedoeld, niet de individuele medewerkers).

In een Kindcentrum komen reeds bestaande tijd en middelen samen. Bundel deze en voeg daar een moderne, vergaande vorm van medezeggenschap aan toe, ook op het niveau van het individu en je hebt alle ingrediënten voor een herontwerp van ‘school’ die vele, zeer vele, hardnekkige onderwijsproblemen voorkomt dan wel oplost.

Waarom keren we met het KC dus niet terug naar de bedoelde oorsprong en noemen we het ‘gewoon’ SCHOOL?