Categorie archief: funderend onderwijs

6 factoren bepalend voor duurzame innovatie

Wat maakt of een innovatie succesvol is of niet? En wat zijn handige tips? Over mijn onderzoek naar de totstandkoming van onderwijsinnovaties in het primair onderwijs verscheen hier een artikel. Er blijken in ieder geval zes factoren van belang op het slagen (of mislukken) van een duurzame innovatie: analyse, schoolomgeving, hitteschild, beleidscyclus, draagkracht en draagvlak. Hier kunt u meer lezen over het model.

Wanneer slaagt ‘anders organiseren’?

Er wordt veel energie gestoken in innovaties in het onderwijs maar toch mislukken ze vaak. Hoe komt dat? En vooral, hoe kunnen scholen veranderingen wel duurzaam voor elkaar krijgen? In oktober 2018 verzorgde ik een studiedag voor de PO-Raad en Kennisnet over dit onderwerp. De aanleiding was de behoefte aan ‘anders organiseren’ om het lerarentekort het hoofd te bieden. Op de website Slimmerlerenmetict verscheen een uitgebreid verslag van deze dag. Het verslag kunt u hier lezen. Het verslag werd gemaakt door Andrea Hodzelmans van Communicatiebureau Zuiver C.

‘Laten we afscheid nemen van de docent als coach’.

Het vermeende verschil tussen leraar en coach blijft de gemoederen bezighouden en het wordt er niet duidelijker op. Recent verscheen dit filmpje van de door mij zeer gerespecteerde Joseph Kessels over ‘de leraar van de 21e eeuw’ waarin de verschillen tussen de leraar en coach worden opgesomd en uitgelegd. Ik heb ze op een rijtje gezet: 
Dit lijstje zal bij leraren ergernis oproepen. Er staan kwaliteiten bij de coach die de leerkracht ook bezit zoals ‘kijken naar leerlingen als individuen’ en het ‘maximale uit mijn leerling proberen te halen’. Mijn bezwaar betreft het tegenover elkaar plaatsen van de leerstrategieën aanbiedend en ontdekkend. Juist van Joseph Kessels leerde ik 20 jaar geleden dat ‘hetgeen geleerd gaat worden’ bepaalt wat de beste leerstrategie is. Kennis over feiten/procedures en vaardigheden die reproductief zijn, leer je meestal het beste via aanbiedende methoden. Basis en voortgezet onderwijs behandelen juist veel van dit type onderwerpen. Ontdekkend leren zal daarom vaak niet de voorkeur hebben.
Het kan zijn dat men vindt dat kinderen tijdens basis en voortgezet onderwijs meer productieve vaardigheden moeten leren, waar ontdekkende leerstrategieën soms goed kunnen werken. Maar dat is een andere kwestie. Het vermengen van docentrollen, leeronderwerpen en leerstrategieën is mijns inziens niet behulpzaam.

In 2007 schreef mijn gewaardeerde collega wijlen Dick de Bie dit artikel: ‘Afscheid van de coach’. Hierin zegt hij: ‘Er zijn geen verboden op uitleg of op voordoen of op terecht wijzen, alleen verboden op het doen of nalaten wat het leerproces de kop indrukt. Laten we daarom afscheid nemen van de docent als coach en voortaan spreker van de docent als leermeester: de docent die weet wat er nodig is om studenten te laten leren’. Laat de leerkracht dus de leerkracht.

 

 

Met moderne teamzeggenschap regie over werkdruk

Herneem als schoolteam de regie over werkdruk door ‘groot’ te denken. Werk met een jaar en klokuren in plaats van weken/dagen en lesuren. Met heldere getallen kun je duidelijke keuzes maken.

  • Een voltijds dienstverband in zowel po als vo is 1659 uur per jaar.
  • In het po geeft een leerkracht hiervan maximaal 930 uur les, 729 uur is voor ander werk.
    De verhouding lestijd-geen lestijd is dus 56%-44%.
  • In het vo geeft een leerkracht hiervan maximaal 750 uur les, 909 is voor ander werk.
    De verhouding lestijd-geen lestijd is dus 45%-55%.
    [De motie Van Meenen (die is aangenomen maar nog niet is geëffectueerd) verlaagt het aantal lesuren naar 20 per week. 20 lesuren = 16,66 klokuur. In het vo zijn er gemiddeld 37 lesweken. 37 x 16,66 = 616 uur. Van de 1659 uur wordt dan 616 uur lesgeven en 1043 uur niet-lesgeven.
    De verhouding lestijd-geen lestijd wordt dan 37%-63%.]

Suggestie: tel de niet-lestijd van het hele team op en maak daarvan een jaarplan met bestedingen. Dus niet versnipperd per persoon, per week, per dag, per les en voorkom het door elkaar gebruiken van les- en klokuren. Laat bij het maken van het plan ook de vaste normen even los. Het is bijvoorbeeld niet logisch dat een leerkracht Frans die met een uitgewerkte lesmethode werkt evenveel lesvoorbereidingstijd heeft als een leerkracht Economie die al zijn lessen zelf ontwikkelt.
Stel bij het invullen van het jaarplan steeds de vraag ‘draagt dit bij aan de ontwikkeling van onze leerlingen en wat gebeurt er als we het wel/niet doen?’ Hoeveel uren per jaar besteden we aan feesten, toetsen, lesvoorbereidingen, schoonmaak, professionalisering, excursies enz. en is dat de beste besteding ten behoeve van onze leerlingen?
Als er meer werk is dan tijd, maak ook dan keuzes op jaarbasis. Onderbouw als team deze keuzes en communiceer dit aan leerlingen, ouders, bestuur en buitenwereld.
‘Wij zijn een basisschool met 10 fte; we hebben ruim 7.000 uur niet-lestijd en komend jaar gaan we deze zó besteden’. [Het ligt overigens voor de hand om deze bestedingen te linken aan het schoolplan.]

Denk groot en maak grote keuzes: dit doen we wel en dit doen we niet. Met moderne teamzeggenschap begin je opgeruimd aan het nieuwe schooljaar en eindig je fris.

45% blijft zitten en andere cijfers

Een overzicht van allerlei cijfers. Rijp en groen door elkaar en allen hebben te maken met leren en onderwijs. Bijvoorbeeld: meer dan 50% van de kinderen doorloopt de basis- en middelbare school niet binnen de nominale opleidingsduur. Het aantal zittenblijvers in funderend onderwijs is 45%, het aantal versnellers in po is 8% (vo kent geen versnellers), samen is dat 53%. Slechts 47% van alle kinderen rondt het traject po-vo dus af in de nominale opleidingsduur.
Dat is opmerkelijk. We hebben een standaard ontwikkeld waar één van de twee kinderen niet aan kan voldoen. Bij de lerarenopleidingen past de standaard zelfs 2 van de 3 studenten niet.
Als je alle afstroom en opstroom zou meetellen en praktijkonderwijs eraf zou halen (daar kun je namelijk niet blijven zitten) dan is het percentage kinderen dat het funderend onderwijs (dat bij hem/haar past qua potentieel) binnen de nominale opleidingsduur afrondt nog veel kleiner.
Laat staan als je alle studiehulp buiten school erbij zou betrekken: toetstrainingen, huiswerkbegeleiding, bijles, lente- en zomerscholen en niet te vergeten al die ouders die vele uren per week hun kinderen helpen met huiswerk maken. Zonder deze hulp zou slechts een heel klein deel van de kinderen het funderend onderwijs soepel doorlopen. Stel je voor dat bij werknemers de partners wekelijks moeten bijspringen om het werk te doen!
Voor alle onderstaande cijfers zou je vergelijkbare redeneringen kunnen opbouwen.

  • De Cito-eindtoets basisonderwijs meet 10-12 kerndoelen op één wijze (schriftelijk, gefragmenteerd en meerkeuze). Het leerlingvolgsysteem idem. Basisonderwijs moet gaan over 52 kerndoelen. Kinderen worden dus afgerekend op hun prestaties in 20% van de kerndoelen.
  • De Cito-eindtoets bestaat uit 200 vragen. Een leerling die scoort op vmbo-t-niveau kan ruim 80 van de 200 vragen niet (juist) beantwoorden.
  • Segregatie en kansen: huidige stelsels van onderwijs en kinderopvang houden segregatie en kansen-ongelijkheid in stand (bron ‘Staat van het Onderwijs’ Onderwijsinspectie, 2014-2015)
    IKC’s versterken segregatie en kansen-ongelijkheid (bron CPB, 2017)
    Harmonisatie ko en psz leidt (nog) niet tot ‘samen opgroeien’.
  • Gebruik: 40% van de kinderen van laagopgeleiden maakt geen gebruik van voorschoolse voorzieningen versus 8% hoogopgeleiden (bron ‘Gelijk goed van start’, SER, 2016)
  • Zittenblijven en versnellen
    45% blijft zitten in funderend onderwijs, in Havo-4 blijft 18% zitten (bron CPB)
    16% blijft zitten op basisschool
    8% versnelt op basisschool
    27% vd 15-jarigen is blijven zitten
    47% vd Havo-leerlingen is blijven zitten
    (kosten: € 500 mln per jaar; bron ‘IBO Effectieve leerroutes in funderend onderwijs’, 2015)
  • Afstroom: 7% Havo-3 stroomt af naar Vmbo (bron CBS)
  • Zorgleerlingen: 20% is zorgleerling (volgens scholen, bron Onderwijsraad)
  • 36.000 kinderen maakt gebruik van s(b)o (bron Rijksoverheid, 2015)
  • 8% heeft dyslexie; 32 per 1000 ontvangen behandeling hiervoor
  • 125.000 kinderen 6-18 jaar gebruiken Ritalin/methylfenidaat (= 4,5%)
    (bron Gezondheidsraad)
  • 13% van kinderen in basisschoolleeftijd maakte in 2016 gebruik van jeugdhulp, dat zijn 192.000 kinderen (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • relatie jeugdhulp en funderend onderwijs? Percentages kinderen per leeftijdscategorie dat gebruik maakt van jeugdhulp: 3% < 4 jr, 13% 4-11 jr, 12% 12-17 jr, 1% > 17 jr. (maar jeugdhulp is in principe tot 18 jaar en kan eventueel worden voortgezet tot 23 jaar) (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • in 2016 liepen 515.000 jeugdhulptrajecten (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • in 2016 ontvingen 388.000 kinderen jeugdhulp; 159.000 meisjes en 219.000 jongens (bron Jeugdhulp 2016, CBS)
  • 18% vd 9-jarige autochtone kinderen ontvangt Jeugdhulp (bron Landelijke Jeugdmonitor 2016)
  • Armoede: 226.000 < 18 jaar leeft op bijstandsniveau; in Rotterdam 1 op de 6 kinderen (met name eenoudergezinnen)
  • 18% van de 15-jarigen is laaggeletterd (bron ‘PISA’, 2015)
  • pesten: 76% is betrokken bij pesten, 65% wordt gepest (bron SAQI)
  • toetsbelasting: in brugklas wordt kind ongeveer 150x beoordeeld met een cijfer op een honderdpuntsschaal
  • < 50% Hbo-studenten haalt diploma binnen 5 jaar, dat is al met 25% studievertraging
  • 35% van de studenten van de lerarenopleidingen haalt binnen 5 jaar een diploma (bron Staat van het Onderwijs 2015/2016)
  • 37% mbo’ers van > 18 jaar heeft schuld (bron Nibud 2016)
  • relatie opleiding en beroep: slechts 47% van de mannen en 29% van de vrouwen met een afgeronde technische opleiding heeft een technisch beroep (bron CBS 2016)
  • 16% van de afgestudeerden mbo, hbo en wo heeft spijt van de opleidingskeuze (bron UWV/ROA 2012)
  • van de kinderen met een dubbel vo-advies haalt 10% het hoogste advies daadwerkelijk (bron Staat van het Onderwijs 2015/2016)
  • 33% vd > 15-jarigen heeft beperkte gezondheidsvaardigheden. Gevolgen: 7 jaar korter leven en 19 jaar mindere gezondheid (bron WHO en Loket gezond leven-Rijksoverheid)
  • 87% van de leerkrachten in basisonderwijs is vrouw (in 2015), daarvan werkt 78% in deeltijd (bron Socioaal Economische trends 2016)
  • 75% van de werknemers in po werkt in deeltijd en de gemiddelde deeltijdfactor is 0,6 (bron Stamos, 2015, afgeleid van BZK, 2015)
  • De Kindertelefoon heeft in 2016 bijna 243.000 gesprekken gevoerd met kinderen tussen 8 en 18 jaar; het meest ‘populaire’ onderwerp waarover is pesten, hierover gingen ruim 23.000 contacten (bron Kindertelefoon Jaarverslag 2016)
  • 72% van de havisten en 65% van de mbo’ers haalt Hbo-opleiding niet in 4 jaar (bron CBS)

Ons onderwijs veroorzaakt naast welvaart ook verlies, teleurstelling en leed. Als we het zichtbaar maken, kunnen we het verminderen.

45% blijft zitten en andere cijfers

Bij verschillende werkzaamheden kom ik cijfers en verschijnselen tegen. Hieronder een overzicht. Rijp en groen door elkaar en bij elkaar geen vrolijk beeld.
Bijvoorbeeld: meer dan 50% van de kinderen doorloopt de basis- en middelbare school niet binnen de nominale opleidingsduur. Het aantal zittenblijvers in funderend onderwijs is 45%, het aantal versnellers in po is 8% (vo kent geen versnellers), samen is dat 53%. Slechts 47% van alle kinderen rondt het traject po-vo dus af in de nominale opleidingsduur.
Dat is opmerkelijk. We hebben een standaard ontwikkeld waar één van de twee kinderen niet aan kan voldoen.
Als je alle afstroom en opstroom zou meetellen en praktijkonderwijs eraf zou halen (daar kun je namelijk niet blijven zitten) dan is het percentage kinderen dat het funderend onderwijs (dat bij hem/haar past qua potentieel) binnen de nominale opleidingsduur afrondt nog veel kleiner.
Laat staan als je alle studiehulp buiten school erbij zou betrekken: toetstrainingen, huiswerkbegeleiding, bijles, lente- en zomerscholen en niet te vergeten al die ouders die vele uren per week hun kinderen helpen met huiswerk maken.
Stel je voor dat bij werknemers de partners wekelijks moeten bijspringen om het werk te doen!

Meer cijfers en verschijnselen:

  • Segregatie en kansen: huidige stelsels van onderwijs en kinderopvang houden segregatie en kansen-ongelijkheid in stand (bron ‘Staat van het Onderwijs’ Onderwijsinspectie, 2014-2015)
    IKC’s versterken segregatie en kansen-ongelijkheid (bron CPB, 2017)
    Harmonisatie ko en psz leidt (nog) niet tot ‘samen opgroeien’.
  • Gebruik: 40% van de kinderen van laagopgeleiden maakt geen gebruik van voorschoolse voorzieningen versus 8% hoogopgeleiden (bron ‘Gelijk goed van start’, SER, 2016)
  • Zittenblijven en versnellen
    45% blijft zitten in funderend onderwijs (bron CPB 2015/1)
    16% blijft zitten op basisschool
    8% versnelt op basisschool
    27% vd 15-jarigen is blijven zitten
    47% vd Havo-leerlingen is blijven zitten
    (kosten: € 500 mln per jaar; bron ‘IBO Effectieve leerroutes in funderend onderwijs’, 2015)
  • Afstroom: 7% Havo-3 stroomt af naar Vmbo (bron CBS)
  • Zorgleerlingen: 20% is zorgleerling (volgens scholen, bron Onderwijsraad)
  • 36.000 kinderen maakt gebruik van s(b)o (bron Rijksoverheid, 2015)
  • 8% heeft dyslexie; 32 per 1000 ontvangen behandeling hiervoor
  • 125.000 kinderen 6-18 jaar gebruiken Ritalin (= 4,5%) (bron Gezondheidsraad)
  • 10% ontvangt Jeugdhulp (bron Jeugdhulp 1e halfjaar 2016)
  • 18% vd 9-jarige autochtone kinderen ontvangt Jeugdhulp (bron Landelijke Jeugdmonitor 2016)
  • Armoede: 226.000 < 18 jaar leeft op bijstandsniveau; in Rotterdam 1 op de 6 kinderen (met name eenoudergezinnen)
  • 18% van de 15-jarigen is laaggeletterd (bron ‘PISA’, 2015)
  • pesten: 76% is betrokken bij pesten, 65% wordt gepest (bron SAQI)
  • Toetsbelasting: 11/12-jarige leerling in Atheneum 1 wordt in 37 weken 149x beoordeeld met een cijfer op een honderdpuntsschaal
  • < 50% Hbo-studenten haalt diploma binnen 5 jaar, dat is al met 25% studievertraging

Dyslexie – aan wie ligt het nu weer?

Dyslexie – gaat het over leesblindheid, leestempo, woordbeeld, spelfouten? Heeft iets of iemand er ‘schuld aan’? In korte tijd roepen deskundigen ‘het komt door slecht onderwijs’ (zie bijvoorbeeld dit artikel uit het Algemeen Dagblad van 9 februari 2017) terwijl een ander de slechte methodes noemt, lees bijvoorbeeld dit artikel uit Trouw. Dyslexie is evenwel een onderwerp dat al decennia lang de gemoederen bezighoudt, net als andere ‘afwijkingen’ van het gangbare en gemiddelde.
Pieter Mostert schreef er een helder verhaal over, lees het hier. Een verhaal gebaseerd op praktijk en wetenschap.

Genoeg bouwstenen denk ik om een constructief gesprek te voeren over onderliggende vragen, zoals deze:

  • is de gangbare werkwijze – ieder kind krijgt dezelfde lessen tot ie uitvalt en dan begint eventueel het maatwerk – het beste? en
  • waar zit de pijn? In de ongelijke kansen, in het als afwijkend worden bestempeld, in het gesloten blijven van deuren voor jou en dat de leerkracht dat bepaalt, in het onrecht dat het jou meer moeite kost dan voor een ander om iets te leren? In andere kwesties?

Immers, een gesprek over schuld leidt niet tot betere ontwikkelingsmogelijkheden van mensen.

 

Meepraten met OCW over wetsvoorstel Nieuwe scholen

Het ministerie van OCW en de politiek willen Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. Het gaat hier om een gewichtig onderwerp, namelijk de invulling van artikel 23 van onze Grondwet die handelt over Vrijheid van Onderwijs.
In de praktijk van de afgelopen jaren blijkt het bijna onmogelijk om nieuwe scholen op te richten. Dat De School is opgericht en is blijven bestaan na de eerste vijf jaar, is uitzonderlijk. Het hele proces heeft tien jaar genomen en er zijn duizenden uren (!) aan besteed.
Het nieuwe wetsvoorstel zou enerzijds het stichten van nieuwe scholen realistisch moeten maken, anderzijds wil men een betere kwaliteits- en duurzaamheidsborging.
Het wetsvoorstel heeft al vorm gekregen. In oktober 2016 heeft iedereen de gelegenheid om mee te denken en te praten. Er worden vijf regionale bijeenkomsten gehouden en die zijn voor iedereen toegankelijk. Kijk hier voor precieze informatie en laat uw opvattingen en ervaringen horen!

Strengere regels voor vrijwillige ouderbijdrage?

In het onderwijsblad van de AOB (Algemene Onderwijs Bond) van 18 juni 2016 pleiten de AOB en de SP voor aanscherping van de regels betreffende de vrijwillige ouderbijdrage die door scholen wordt gevraagd.
De kern van het betoog is: ‘onderwijs is een grondrecht en publiek gefinancierd onderwijs mag geen financiële drempels opwerpen’.
Niemand zal het oneens zijn met dit betoog. Echter, effectuering hiervan zal morrelen aan diezelfde grondrechten: het beperkt de innovatiekracht van scholen en de vrijheid van onderwijs. Daarnaast volstaan de huidige regels om vrijheid van schoolkeuze voor alle ouders en kinderen te beschermen.
De voorgestelde aanscherping houdt deze twee regels in:

  1. een maximering van de vrijwillige ouderbijdrage en
  2. het verbod dat de ouderbijdrage besteed wordt aan het verbeteren van het onderwijs.

In deze notitie een beschouwing op de mogelijke gevolgen hiervan.
Het artikel ‘Ouderbijdrage versterkt tweedeling’ van de AOB vindt u hier.
Het rapport ‘De vrijwillige ouderbijdrage in het primair onderwijs 2013/2014’ vindt u hier.